Een initiatief van het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik

Diabetes

Bij diabetes mellitus (ook vaak suikerziekte genoemd) is er te veel suiker in het bloed. Dit komt omdat het lichaam geen, of te weinig insuline kan maken. Insuline zorgt dat er minder suiker in het bloed komt. Gezonde mensen kunnen zelf insuline maken. Iemand met diabetes mellitus kan zelf geen of onvoldoende insuline maken. Er blijft dan te veel suiker in het bloed en dat kan schadelijk zijn, bijvoorbeeld voor de bloedvaten en nieren.


Er bestaan twee soorten diabetes mellitus: type 1 en type 2. Bij type 1 kan het lichaam helemaal geen insuline maken. Bij type 2 kan iemand nog wel insuline maken, maar minder dan een gezond iemand. Ook reageert het lichaam minder goed op de insuline. Bijna alle kinderen met diabetes hebben type 1. Type 2 komt vaker bij ouderen voor.

 

Behandeling

De enige manier om diabetes type 1 te behandelen is door zelf insuline in te spuiten in de bovenbenen, bovenarmen, buik of billen. Er zijn geen tabletten van insuline. Insuline geneest diabetes niet. Een kind met diabetes type 1 moet dus zijn hele leven insuline blijven spuiten. 


Het spuiten van insuline kan met een insulinepen of met een insulinepomp. Een insulinepen is een soort injectiespuitje met een dunne naald. Hierin stop je een soort buisje ('patroon') waar insuline inzit. Je kunt de pen dan meerdere keren gebruiken om insuline te spuiten. Er bestaan verschillende soorten pennen. Een insulinepomp is een klein apparaatje dat via een slangetje en een naald verbonden is met de buik. De pomp geeft steeds een beetje insuline af. Als je meer insuline nodig hebt, kun je op de pomp instellen dat hij meer insuline moet afgeven. Dan hoef je dus niet meer zelf te spuiten.

Een kind met diabetes type 1 moet niet altijd dezelfde hoeveelheid insuline spuiten. Bij veel eten, juist weinig eten of sporten kan er meer of minder insuline nodig zijn. Dit controleert u in het bloed van uw kind met een vingerprik. U meet dan hoeveel suiker er in het bloed zit. Vervolgens kunt u uitrekenen hoeveel insuline uw kind nodig heeft.

 

Bewaren

Een voorraad insuline moet in de koelkast bewaard worden. Nooit in het vriesvak, want als insuline bevriest, werkt het niet meer. De gevulde insulinepen die het kind gebruikt, moet u buiten de koelkast (op kamertemperatuur) bewaren. Koude insuline inspuiten kan namelijk een vervelend gevoel geven. Bij kamertemperatuur is insuline meestal ongeveer 4 weken houdbaar. Kijk voor de precieze houdbaarheid op het doosje of in de bijsluiter van de insuline. Sommige soorten insuline kunnen langer bij kamertemperatuur bewaard worden dan andere.

 

Meer informatie

Meer informatie over diabetes mellitus type 1 en medicijnen bij diabetes vindt u onder andere op de volgende websites: